Monitoren bij Land van Ons: een interview met Leo Soldaat

Het Team Biodiversiteit en Beheer bestaat uit wetenschappers. Daarbinnen houden Leo Soldaat en Matty Berg zich bij uitstek bezig met de monitoring van onze percelen. Leo’s betaalde baan is eveneens monitoring, maar dan bij het CBS. Om precies te zijn bij de afdeling natuurstatistieken, waar hij medeverantwoordelijk is voor de kwaliteit van het NEM (Netwerk Ecologische Monitoring). Monitoring wordt bij Land van Ons gebruikt om te bepalen welke ingrepen het beste werken, maar vooral ook om vast te stellen in hoeverre wij onze doelen bereiken. Een meer essentiële vraag is nauwelijks denkbaar: honderden vrijwilligers spannen zich in en duizenden deelnemers leggen geld in omdat ze ervan overtuigd zijn dat hun inspanningen en hun geld de biodiversiteit en het landschap verbeteren. En terecht. Maar bij vele anderen moet die overtuiging nog postvatten teneinde genoeg land te kunnen kopen om de hoge ambities van onze coöperatie te kunnen waarmaken. Daar ligt een sleutelrol voor monitoring. Die sleutel omdraaien en een deur openen die toegang geeft tot stapels onweerlegbaar bewijs dat biologisch boeren op alle fronten de biodiversiteit en het landschap met sprongen verbetert, nee, zo simpel ligt het niet. We gaan Leo Soldaat dadelijk vragen hoe dat zit, maar zoomen eerst even uit naar de wereld van de monitoring.

Bijenonderzoek WUR op de Onneresch

Klopt het dat de monitoring bij Land van Ons maar een heel klein en heel apart onderdeeltje is van wat er verder landelijk gebeurt?

Ja, er wordt ongelooflijk veel gemonitord in Nederland. Mede omdat er zoveel vrijwilligers bij betrokken zijn en Nederland zo dichtbevolkt is. Wij zijn naar verhouding het best getelde land van de wereld. De belangrijkste tellingen worden onder verantwoordelijkheid van de rijksoverheid gedaan vanwege de vier EU-richtlijnen (zie kader). Daarvan zijn voor ons de belangrijkste de verplichte rapportages, eens per zes jaar, voor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Daarvoor is het ministerie van LNV verantwoordelijk en dat speelt juist dezer dagen. Voor deze monitoring zet de overheid veel burgerwetenschappers in. Achter beide rapportages zit een groot monitoringprogramma, gecoördineerd door het zojuist al genoemde NEM. Het NEM werkt met goed gestandaardiseerde protocollen. Zogenoemde ‘soortenorganisaties’ zoals de Zoogdiervereniging, Sovon, FLORON, RAVON en de Vlinderstichting zorgen voor de aansturing van de vrijwilligers en controle van de juistheid van de gegevens, die uiteindelijk door het CBS worden geanalyseerd. Bij beide richtlijnen horen lijsten met planten en dieren die geteld moeten worden. Voor de Habitatrichtlijn zijn dat zo’n honderd soorten, waaronder libellen en vleermuizen.

Richtlijnen nationale monitoring

Vier EU-richtlijnen zijn de belangrijkste reden voor de rijksoverheid om te monitoren: de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en (voor ons minder belangrijk) de Kaderrichtlijn Water en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Voor de eerste twee zet de overheid zoveel mogelijk burgerwetenschappers in, georganiseerd in het NEM (Netwerk Ecologische Monitoring) dat een enorme database onderhoudt.

Naast de EU-richtlijnen wordt er ook gemonitord door terreinbeheerders (de grootste zijn: Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, LandschappenNL) in het kader van het SNL (Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer). Dat gebeurt hoofdzakelijk door professionals (medewerkers van de beheerders en groenbureaus). De provincies zijn hiervoor eindverantwoordelijk.

NEM-gegevens en SNL-gegevens worden idealiter allemaal opgenomen in de Nationale database flora en fauna, de NDFF. Daar zitten circa 150 miljoen waarnemingen in, zoals die van Waarneming.nl waaraan Land van Ons ook bijdraagt.

De monitoring bij Land van Ons is op heel veel manieren anders dan die onder verantwoordelijkheid van het Rijk, alleen al wegens de schaal.

Een overeenkomst is wel dat bij de monitoring voor de twee genoemde richtlijnen ook veel burgerwetenschappers betrokken zijn, zij het toch weer anders dan bij ons (zie hiervoor het artikel ‘Dat geeft de burger moed’ van Anne Havelaar). Wij monitoren onze eigen percelen puur omdat we willen weten in hoeverre we bijdragen aan verbetering van de biodiversiteit en het landschap.

Maar dat lukt niet goed omdat we die verbetering niet wetenschappelijk kunnen bewijzen, heb ik begrepen.

Hoho, nu ga je wel erg snel door de bocht: ten eerste kan dat wel, maar niet op korte termijn en niet op het hoogste ambitieniveau. Ten tweede zijn er meer manieren om wetenschappelijk te bewijzen dat wat wij doen de biodiversiteit en het landschap verbetert. En ten derde heb je de wetenschap niet altijd nodig, zoals wanneer iedereen het gewoon kan zien.

Je eerste punt: waarom kan het niet op termijn van een jaar of vijf?

Idealiter zou je voor elk van onze percelen een ander perceel moeten hebben waar gangbare landbouw wordt bedreven en waar verder alles hetzelfde is. Omdat er zo vreselijk veel factoren zijn, is dat eigenlijk de beste manier om verschillen op een wetenschappelijke wijze aan een biologische werkwijze te kunnen toeschrijven. Maar dat gaat ons nooit lukken. Ten eerste moet je dan veel meer meetpunten hebben. Nu hebben we nog maar net boven de twintig percelen die ook nog eens enorm verschillen in bodemsoort, gewassen en noem maar op. Daardoor is bijna elk perceel uniek en dan heb je geen herhalingen en dus ook geen basis voor een wetenschappelijk experiment.

Huttentut, bloeiende akkerrand en boekweit op perceel de Onneresch.

Dus geen experimentele wetenschappelijke aanpak. Wat dan wel?

Je kunt proberen om per perceel te kijken naar trends. Maar we hebben maar een of twee percelen waar een goede nulmeting is gedaan. Belangrijker, de natuur ontwikkelt zich niet gelijkmatig maar in een kartelpatroon. Een vogelsoort gaat voor of achteruit, dat meet je dan heel goed met al die vrijwilligers in een bepaald jaar. En het volgend jaar meet je het weer en dan is het misschien iets lager, en het daaropvolgende jaar weer wat hoger. Is het dan voor- of achteruit gegaan? Dat is inherent aan fauna en ook aan flora. Het gaat meestal met golfbewegingen van jaar tot jaar, afhankelijk van weersinvloeden, het aantal predatoren en van dingen als jacht in het buitenland. Trekvogels worden bijvoorbeeld boven de Pyreneeën afgeschoten. Het kan ook droogte zijn, in de Sahel bijvoorbeeld. Als je een nulmeting zou doen voor de biodiversiteit, dan prik je echt in die kartelbeweging van de soorten en dan weet je niet of je nou op een hoogte- of op een dieptepunt hebt gemeten. Dus eigenlijk moet je bij een nulmeting voor biodiversiteit toch al gauw aan een jaar of drie monitoringgegevens denken en nog eens vijf tot tien jaar om betrouwbare trends te kunnen berekenen.

Voor m’n werk doe ik analyses voor het ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer), een subsidieregeling voor boeren die al loopt sinds 2016. We hebben nu zeven à acht jaar gegevens uit honderden meetpunten, en we kunnen eigenlijk niet zeggen of dat beheer nou werkt of niet. Dus de opzet, ‘bewijzen dat agrarisch natuurbeheer werkt’ is een veel te hoog doel voor Land van Ons; dat gaan we nooit halen.

“Denk aan een ruwe strook naast een akker of een keverbank: dan komen er allerlei insecten, dat zie je gewoon, natuurlijk werkt dat.”

Je tweede punt: lagere ambities en andere manieren van vaststellen?

Je moet goed beseffen dat het een groot verschil maakt of we het hebben over enerzijds landbouwkundige maatregelen in het gewassen verbouwen, zoals wel of geen pesticiden en kunstmest gebruiken, en anderzijds maatregelen zoals de aanleg van ruwe akkerranden of natuurvriendelijke slootranden. Het duurt lang om de effecten van die landbouwkundige maatregelen te onderzoeken. Van andere maatregelen die voornamelijk uitgevoerd worden rondom de akkers, weten we dat die gunstig zijn voor de biodiversiteit. Denk aan keverbanken, ruige akkerranden, slootbeheer. Dat is vaak best wel goed onderbouwd. Bij ons is Matty Berg bezig dat onderzoek te inventariseren. Dit overzicht laat zien dat er groeiend wetenschappelijk bewijs is voor de positieve effecten van natuurinclusieve landbouw op de biodiversiteit.
Daar kun je nog een hele beschouwing aan vastknopen over de evidente effectiviteit van een hele groep maatregelen. Het wordt algemeen aangenomen dat de intensivering van de landbouw heel slecht is geweest voor de biodiversiteit, want je weet en je ziet bijvoorbeeld dat grutto’s en kieviten schrikbarend achteruit zijn gegaan. Je weet ook dat er vroeger veel kuikens werden doodgemaaid en dat er weinig insecten meer zijn in de groene biljartlakens. Dan kun je van de achteruitgang van die soorten toch al gauw zeggen dat die grotendeels door de intensivering van de landbouw is veroorzaakt.

Keverbank Holtesch

Misschien kun jij je wel herinneren dat je 50 of 60 jaar geleden overal veldleeuweriken en grutto’s’ hoorde. Onlangs is het boek Natuuramnesie verschenen: we hebben geen beeld meer van hoe het vroeger was. Als nu een soort er weer wat bovenop krabbelt, denken we, ‘nou, ja, ach, het gaat toch wel weer goed’, maar we zouden beter weten als we goed hadden onthouden hoe het destijds was. De intensivering van de landbouw heeft dus veel meer aangericht dan we doorgaans beseffen. Er is een hele serie maatregelen die tegen die intensivering ingaat. Denk aan een ruwe strook naast een akker of een keverbank: dan komen er allerlei insecten, dat zie je gewoon, natuurlijk werkt dat.

Stel je zulke observaties boven de wetenschap?

Nee, dat is een valse veronderstelling. De wetenschap moet deze dingen bevestigen en heeft dat al gedaan voor bijvoorbeeld keverbanken. Je moet het verschil in de gaten houden tussen dit soort toevoegingen aan de ene kant, want je maakt er gewoon een stukje natuur bij! En aan de andere kant bijvoorbeeld de vraag of er meer kieviten op je akker gaan broeden als je later maait. Dat is niet zo evident, dat aantonen kost veel meer tijd, net als de effecten van landbouwkundige maatregelen die ik eerder noemde (pesticiden, kunstmest). Als je daarentegen na de aanleg van een keverbank een nieuwe meting doet, dan is het verschil fenomenaal. Daar heb je geen statistiek voor nodig.

Door dit soort overwegingen zou je bijna vergeten dat er op de percelen van Land van Ons wel degelijk enthousiast wordt gemonitord

Jazeker! En dat blijft van het grootste belang. Veel vrijwilligers komen daar juist op af. Toch is het animo wisselend en dat is begrijpelijk, want perceelteams hebben ook veel andere dingen te doen en de een heeft meer interesse in burgerwetenschap dan de ander (zie ook hiervoor het artikel ‘Dat geeft de burger moed’). Daarom hebben we de monitoring in drie niveaus ingedeeld.

De praktijk van de monitoring bij Land van Ons wordt schitterend beschreven door Liesbeth Sluiter, een keer op perceel Onneresch (‘Een kneutje in de avondzon’) en nog eens bij de Biesterhof (‘Hommel, onbekend’).

Tekst: Flip Schrameijer
Foto’s: Ingrid Schenk, Ron Thijsen

Richtlijnen monitoring Land van Ons

Op een gemiddeld perceel komen zeer veel soorten voor, van schimmels, bacteriën, algen en hogere planten tot eencelligen, aaltjes, (pot)wormen, springstaarten, mijten, spinnen, kevers en andere insecten, vogels en zoogdieren. De soortgroepen die we bij Land van Ons monitoren zijn gekozen op basis van herkenbaarheid door vrijwilligers, beschikbaarheid van eenvoudige inventarisatiemethoden, geschiktheid als biodiversiteitsindicator en beschikbare ecologische kennis over de soortgroep. De geselecteerde soortgroepen zijn regenwormen, planten, bestuivers (hommels en dagvlinders) en vogels. Daarnaast wordt het landschap gemonitord door middel van jaarlijkse foto’s. Binnenkort komt ook een protocol beschikbaar voor de monitoring van waterkwaliteit aan de hand van waterdiertjes.

De monitoring op de percelen van Land van Ons wordt door vrijwilligers uitgevoerd. Die monitoring verloopt volgens gestandaardiseerde protocollen die deels aansluiten op de protocollen van het NEM (Netwerk Ecologische Monitoring). Omdat niet op elk perceel voldoende capaciteit en/of expertise aanwezig is, is de Land-van-Ons-monitoring ontworpen op drie niveaus:

  • Basis: een makkelijk uit te voeren telling waarvoor weinig achtergrondkennis van de uitvoerder(s) nodig is, die niet te veel tijd kost, maar die wel inzicht geeft in de stand van de biodiversiteit in een perceel. Bij de basismethode ligt de nadruk meestal op het totaal aantal exemplaren van een soortgroep (bijvoorbeeld het totaal aantal hommels, regenwormen, dagvlinders), maar niet de afzonderlijke soorten. Ook wordt hierbij een beperkt aantal goed herkenbare plantensoorten of het aantal soorten binnen een soortgroep aangevinkt (bijvoorbeeld hoeveel soorten planten, maar niet het aantal exemplaren van elke plantensoort).
  • Basis+: een relatief makkelijk uit te voeren telling die wat meer tijd en kunde vraagt van de uitvoerder, maar die meer inzicht geeft in het effect van beheer op biodiversiteit dan de basismethode. Hier ligt de nadruk meestal op het aantal van afzonderlijk gedetermineerde soorten.
  • Basis++: Deze telling is soms/vaak tijdrovend en vraagt om een gedegen soortenkennis van de uitvoerders en is daarom niet op alle percelen uitvoerbaar.

Veel Land-van-Ons-waarnemers uploaden hun waarnemingen (ook) op Waarneming.nl, waarmee deze uiteindelijk in de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) terechtkomen en zo bij kunnen dragen aan het beleid. Er wordt nog uitgezocht hoe het totaal aan Land-van-Ons-waarnemingen in Waarneming.nl geüpload kan worden.

Deel de post:
Facebook
LinkedIn
Twitter
Pinterest
WhatsApp

Gerelateerde berichten