Samenwerken van plant, mens en dier: een kort overzicht van de ecologie van heggen

Ecologie houdt zich bezig met de wisselwerking tussen organismen onderling en tussen organismen en hun omgeving. In dit geval de samenhang tussen de heg, het landschap en de soorten in en rond de heg. Dit artikel geeft een heel algemeen overzicht van die ecologie. Wie er meer van wil weten kan terecht bij de aan het eind van dit stuk genoemde boeken van Wright of Rijsdijk.

Rond de heg
Heggen zijn onderdeel van en bepalend voor de ecologie van agrarische landschappen, die, naast akkers en weilanden (de velden) ook uit akkerranden, bermen, sloten, greppels, heggen, slootkanten, bosjes, poelen en dergelijke bestaan. Die combinatie van elementen zorgt voor de verscheidenheid aan leefomstandigheden die voor veel soorten belangrijk is. Zoals bijvoorbeeld voor vogels die in de heg nestelen en schuilen en in de zomen, akkerranden en velden hun voedsel vinden.

De velden, hoe essentieel ze ook zijn, dragen tegenwoordig weinig bij aan de biodiversiteit. Sterker nog, hoe intensiever ze gebruikt worden (hoe meer mest en bestrijdingsmiddelen, hoe meer gebruik van elk randje), hoe sterker hun negatieve invloed op de biodiversiteit is. Dat gaat met name en als eerste ten koste van bijzondere soorten die extra gevoelig zijn voor de kwaliteit van hun leefgebied.

In en naast de heg
De kern van een heg bestaat uit bomen en struiken. Welke soorten dat zijn is afhankelijk van plaats, functie en historie. Meidoorn is bijvoorbeeld een van oudsher veel voorkomende soort in heggen vanwege zijn stekels. Een meidoornheg is daardoor heel geschikt als afrastering. Veel van de voor heggen kenmerkende soorten staan overigens ook in bosranden omdat de omstandigheden daar vergelijkbaar zijn.

Het stereotype beeld dat wij van een heg hebben is vaak een kaarsrechte, strakke lijn door het landschap. In onze strakgetrokken landschappen is dat nogal eens daadwerkelijk het geval, maar in ecologisch opzicht is dat verre van ideaal. Een ideale heg is namelijk een rommeltje. Hoe meer variatie in breedte, hoogte en soorten, hoe beter. En  hoe meer verschillen er door groei en bloei ontstaan, hoe meer kansen dat aan nieuwe soorten biedt.

Die nieuwe soorten komen er door zaadverspreiding en migratie in terecht, bijvoorbeeld kamperfoelie, wikkes, vogellijm, klimop en braam. Met name in oudere heggen komen ook heel veel paddenstoelen voor. Oudere heggen krijgen vanzelf meer dood hout en ontwikkelen ook een dikke, meer soortenrijke strooisellaag, waarin veel ongewervelden (slakken, insecten, duizendpoten, spinnen etc.) voorkomen. Die trekken op hun beurt weer soorten zoals spitsmuizen aan.

Rommeliger en gevarieerder betekent ook meer bewoning en bezoek van dieren. Meer nestgelegenheid voor verschillende voorkeuren, meer zangplaatsen, meer schuilgelegenheid, meer voedsel in de vorm van vruchten, noten, bloesems en prooien. Onder andere koolmezen, roodborstjes, egels, muizen, bijen, vlinders, wezels, konijnen, kikkers, padden salamanders en dassen zijn vaak bewoners of gasten.

Een belangrijke eigenschap van een heg is dat hij twee randen heeft. Langs die randen ontstaat zoomvegetatie, meestal ruigtekruiden. Vlinders vinden er hun waardplanten, bijen en hommels hun nectar, rupsen hun voedsel, enzovoort. Agrarische landschappen huisvesten van oorsprong dan ook veel soorten die het er juist dankzij die randen prima naar hun zin hebben. Het slechte nieuws is dat juist de zomen veelal kleiner zijn geworden en vervuild zijn geraakt door mest en pesticiden.

Achter, onder en langs de heg
Heggen kunnen bescherming bieden tegen wind- en watererosie. Ze bieden ook beschutting tegen zon, wind en regen en schuilgelegenheid voor plant en dier. Dieren lopen of trekken vaak langs de heg maar hoppen in en uit om te slapen of te eten. Dassen bouwen hun burchten graag in de heg, uit het zicht. Vogels, vliegende insecten en vleermuizen vliegen graag langs de heg aan de lijzijde, uit de wind. Vogels gebruiken heggen en heggenlandschappen ook voor hun oriëntatie. Van de postduif is bijvoorbeeld bekend dat hij landschapspatronen herkent. Ook een aantal soorten vleermuizen gebruikt heggen om door het landschap te navigeren. Open vlaktes steken ze niet over omdat hun echolocatie daar niet goed werkt. Wanneer heggen worden verwijderd vliegen ze om, langs de rand van die open vlaktes.

Omdat heggen en hun zomen veel prooidieren huisvesten, wordt erlangs ook druk gefoerageerd, op de grond door bijvoorbeeld egels en vossen. In de lucht zoeken vliegende insecten er hun voedsel of prooien en trekken op hun beurt weer vogels en vleermuizen aan. Torenvalkjes worden aangetrokken door de kleine zoogdieren, uilen door nachtactieve prooidieren.

De bodem onder heggen is veel poreuzer dan die van akkers en weilanden, en heggen kunnen daardoor bij hevige regenval veel meer water opnemen. Ze verlagen zo het overstromingsrisico. Ze verminderen door die eigenschap ook de uitspoeling van meststoffen en bestrijdingsmiddelen naar poelen en sloten. Bovendien houden ze op die manier water vast, wat belangrijk is bij droogte. 

Door de heg
Soorten migreren ook door en langs de heg. Dieren die in de heg wonen kruipen, lopen of vliegen, en planten kunnen steeds verder komen door zaadverspreiding, paddenstoelen door uitbreiding van hun mycelium en de verspreiding van sporen. Dieren die langs de heg trekken helpen daarbij, omdat zaden en sporen aan hun vacht blijven kleven of in hun uitwerpselen zitten. Soorten die de heg bewonen vestigen zich op die manier steeds iets verderop, dringen steeds iets verder in een gebied door en steken  het, als de heggen tenminste toelaten, op den duur over.

Heggen en heggennetwerken fungeren voor veel soorten als corridors en zijn daardoor heel belangrijk. Geschikte leefgebiedjes kunnen ook leegraken. Dat kan gebeuren na bijvoorbeeld een plaag, een ongelukje (denk aan brandjes of iets te ruimhartig gebruik van bestrijdingsmiddelen) of gewoon vanwege omgevingsdynamiek (overstroming, een paar jaar slechte voortplantingsomstandigheden). Verbindingen zorgen ervoor dat lege plekken op den duur weer bezet kunnen worden.

Binnen agrarische landschappen zorgt een goed netwerk bijvoorbeeld dat bestuivers en plaagbestrijders overal op hun werkplek kunnen komen. Maar het verbindt ook het landschap met natuurgebieden en die gebieden met elkaar. Het ‘systeem’ functioneert het beste in samenhang met natuur eromheen en ertussen. In Groot-Brittannië vond men dat heggen belangrijk zijn voor 80% van de bosvogels, 50% van de zoogdieren en 30% van de vlinders. Dat is zowel belangrijk voor natuurbescherming en biodiversiteit als voor het ondersteunen van functies waar de landbouw wat aan heeft.

Heggen doen ecologisch dus heel veel, ze zijn enorm belangrijk voor de bovengrondse biodiversiteit in agrarisch gebied. De mens, in feite ook onderdeel van het ecologische systeem, begint er gelukkig steeds meer achter te komen dat die ‘natuurlijke’ biodiversiteit inzetbaar is bij de verduurzaming van de landbouw. Reden genoeg voor een flinke herwaardering van de heg zou je denken.

 

Literatuur:

  • Wright, J. (2017), A natural History of the Hedgerow, and ditches, dykes and dry stone walls, Londen: Profile Books Ltd.
  • Rijsdijk, K. (2022), Heg, Gorredijk: Uitgeverij Noordboek.

 

Tekst: Rob Bugter

Deel de post:
Facebook
LinkedIn
Pinterest
WhatsApp
Threads

Gerelateerde berichten